All of Bach: een project van de Nederlandse Bachvereniging

Die Elenden sollen essen

BWV 75 uitgevoerd door de Nederlandse Bachvereniging onder leiding van Sigiswald Kuijken
Waalse Kerk, Amsterdam

"Dit stuk valt op door zijn enorme positiviteit. De muziek klinkt zo positief."

"Het is een uitdaging om te begrijpen welk instrument voor een bepaalde uitvoering kan zijn gebruikt."

Maidenspeach

Bach slaat tijdens zijn eerste zondag in functie en piketpaal.

Met zijn cantate Die Elenden sollen essen sloeg Bach een piketpaal. Eindelijk was het zo ver, zijn benoeming als cantor in Leipzig was rond. Hij was met zijn gezin op 22 mei 1723 vanuit Köthen naar Leipzig verhuisd. En tijdens de dienst van zondag 30 mei 1723 was hij voor het eerst echt in functie als cantor.

Zijn speciaal voor deze dienst gecomponeerde cantate bestond uit twee delen, die voor en na de preek werden uitgevoerd. Die twee delen zijn weer onderverdeeld in 14 stukken – het Bach-getal; als je alle letters in het alfabet nummert van 1 tot 26, en dan de ‘waardes’ van de b, a, c en h optelt, dan krijg je 14. Bach gebruikte dit getal vaker als een soort handtekening.

Centraal in het stuk staat de tegenstelling tussen de armoede van het aardse leven en de ware rijkdom van de hemel. Bach sluit hiermee mooi aan bij het verhaal dat voorafgaand aan de cantate werd gelezen: de gelijkenis van Lazarus en de rijke man. Aardse rijkdom blijkt in de hemel niks waard. 

Het openingsdeel lijkt op een Franse ouverture; muziek die gebruikt werd om de komst van een koning aan te kondigen. Was dat een soort knipoog van Bach, een plechtige intrede voor zichzelf? Violone-speler Robert Franenberg zou het zich wel kunnen voorstellen.

Drie van de vier aria’s ontlenen hun ritme aan een dans, achtereenvolgens een polonaise, een menuet en een passepied. Een grote rol is verder weggelegd voor het koraal ‘Was Gott tut, das ist wohlgetan’ dat als een soort motto terugkomt in beide (identieke) slotdelen, maar ook in de instrumentale opening van het tweede deel. Zo presenteerde Bach zich aan zijn nieuwe publiek als ‘eigentijdse’ componist die niet bang was om voor die tijd moderne elementen te gebruiken en die naar zijn eigen hand te zetten. 


BWV
75

Titel
Die Elenden sollen essen

genre
cantate

Jaartal
1723

Stad
Leipzig

Tekstdichter
onbekend, koraal van Samuel Rodigast

Bestemming
eerste zondag na Trinitatis

Eerste uitvoering
30 mei 1723

Cast & Crew

Publicatiedatum 10 februari 2017
Opnamedatum 23 april 2016
Locatie Waalse Kerk, Amsterdam
Dirigent Sigiswald Kuijken
Sopraan Miriam Feuersinger
Alt Damien Guillon
Tenor Wolfram Lattke
Bas Christian Immler
RIPIËNIST sopraan Griet de Geyter
RIPIËNIST alt Barnabás Hegyi
Ripiënist tenor Kevin Skelton
Ripiënist bas Sebastian Myrus
Viool 1 Sigiswald Kuijken, Shunske Sato
Viool 2 Sayuri Yamagata, Anneke van Haaften
Altviool Staas Swierstra
violone Robert Franenberg
Hobo Martin Stadler, Peter Frankenberg
Fagot Benny Aghassi, Eyal Streett
Baroktrompet Robert Vanryne
Orgel Leo van Doeselaar
Klavecimbel Siebe Henstra
Regie Bas Wielenga
Regieassistent Ferenc Soetman
muziekopname Guido Tichelman, Bastiaan Kuijt, Micha de Kanter
audiomontage -en mix Guido Tichelman
Camera Jochem Timmermans, Merijn Vrieling, Chris Reichgelt, Justin Mutsaers
Licht Zen Bloot
Lichtassistent Gijs 't Hoen
Beeldtechniek Vincent Nugteren
settechniek Martin Struijf
Projectmanager NEP Peter Ribbens
Stagiair NEP Leon Mignon
Datahandling Jesper Blok
Productie Marco Meijdam
interview Onno van Ameijde

Vocale teksten

Origineel

1. Chor

Die Elenden sollen essen, dass sie satt werden,
und die nach dem Herrn fragen,
werden ihn preisen.
Euer Herz soll ewiglich leben.

2. Rezitativ (Bass)

Was hilft des Purpurs Majestät,
da sie vergeht?
Was hilft der größte Überfluss,
weil alles, so wir sehen,
verschwinden muss?
Was hilft der Kitzel eitler Sinnen,

denn unser Leib muss selbst von hinnen?
Ach, wie geschwind ist es geschehen,
dass Reichtum, Wollust, Pracht
den Geist zur Hölle macht!

3. Arie (Tenor)

Mein Jesus soll mein Alles sein!
Mein Purpur ist sein teures Blut,
er selbst mein allerhöchstes Gut,
und seines Geistes Liebesglut
mein allersüß’ster Freudenwein.

4. Rezitativ (Tenor)

Gott stürzet und erhöhet
in Zeit und Ewigkeit.
Wer in der Welt den Himmel sucht,
wird dort verflucht.
Wer aber hier die Hölle überstehet,
wird dort erfreut.

5. Arie (Sopran)

Ich nehme mein Leiden mit Freuden auf mich.
Wer Lazarus’ Plagen geduldig ertragen,

den nehmen die Engel zu sich.

6. Rezitativ (Sopran)

Indes schenkt Gott ein gut’ Gewissen,

dabei ein Christe kann
ein kleines Gut mit großer Lust genießen.

Ja, führt er auch
durch lange Not zum Tod,
so ist es doch am Ende wohlgetan.

7. Choral

Was Gott tut, das ist wohlgetan;
muss ich den Kelch gleich schmecken,
der bitter ist nach meinem Wahn,

lass ich mich doch nicht schrecken,
weil doch zuletzt
ich werd’ ergötzt
mit süßem Trost im Herzen;
da weichen alle Schmerzen.

II. Teil

8. Sinfonia


9. Rezitativ (Alt)

Nur eines kränkt
ein christliches Gemüte:
Wenn es an seines Geistes Armut denkt.
Es gläubt zwar Gottes Güte,
die alles neu erschafft;
doch mangelt ihm die Kraft,
dem überirds’chen Leben
das Wachstum und die Frucht zu geben.

10. Arie (Alt)

Jesus macht mich geistlich reich.
Kann ich seinen Geist empfangen,
will ich weiter nichts verlangen;
denn mein Leben wächst zugleich.
Jesus macht mich geistlich reich.

11. Rezitativ (Bass)

Wer nur in Jesu bleibt,
die Selbstverleugnung treibt,
dass er in Gottes Liebe
sich gläubig übe,
hat, wenn das Irdische verschwunden,
sich selbst und Gott gefunden.

12. Arie (Bass)

Mein Herze glaubt und liebt.
Denn Jesu süße Flammen,
aus den’ die meinen stammen,
gehn über mich zusammen,
weil er sich mir ergibt.

13. Rezitativ (Tenor)

O Armut, der kein Reichtum gleicht!
Wenn aus dem Herzen
die ganze Welt entweicht
und Jesus nur allein regiert,
so wird ein Christ zu Gott geführt!
Gib, Gott, dass wir es nicht verscherzen!


14. Choral

Was Gott tut, das ist wohlgetan,
dabei will ich verbleiben.
Es mag mich auf die raue Bahn
Not, Tod und Elend treiben;

so wird Gott mich
ganz väterlich
in seinen Armen halten;
drum lass ich ihn nur walten.

Vertaling

1. Koor

Zo kunnen armen eten en hun honger stillen,
Dat zij die Hem zoeken,
de heer loven.
Jullie hart zal het eeuwige leven hebben.

2. Recitatief

Wat is de zin van majesteitelijk purper,
als het vergaat?
Wat is de zin van de grootste overvloed,
als alles wat wij zijn
heen zal gaan?
Wat heeft de prikkeling van ijdele zintuigen voor zin,
als ons lijf zelf ook zal verdwijnen?
Ach, hoe snel is het voorbij,
de rijkdom, wellust en pracht
die een hel voor de geest zijn!

3. Aria

Mijn Jezus moet mijn alles zijn!
Zijn waardevolle bloed is mijn purper
hijzelf is mijn allerhoogste goed,
en de liefdesgloed van zijn geest
is mijn allerzoetste vreugdewijn.

4. Recitatief

God brengt ten val en hij verheft
in tijd en in eeuwigheid.
Wie in de wereld de hemel zoekt,
zal daar worden vervloekt.
Wie echter hier de hel doorstaat,
zal daar tot vreugde komen.

5. Aria

Ik neem mijn lijden met vreugde op mij.

Wie de plagen van Lazarus geduldig heeft doorstaan,
zal door de engelen worden opgenomen.

6. Recitatief

Intussen schenkt God een goed geweten,

waarbij een Christen
in het kleine goed grote vreugde kan vinden.
Ja, ook als hij lang
door nood moet gaan om te sterven,
dan is dat tenslotte toch een weldaad.

7. Koraal

Wat God doet is een weldaad;
ook als ik uit de kelk moet drinken,
die naar mijn opvatting bitter is,

dan zal ik mij toch niet laten afschrikken,
want uiteindelijk
zal ik worden verheerlijkt
en zal ik zoete troost vinden in mijn hart;
dan wijkt alle smart.

Tweede deel

8. Sinfonia


9. Recitatief

Slechts een ding krenkt
een christelijk gemoed:
als hij denkt aan zijn geestelijke armoede.
Hij gelooft weliswaar in Gods goedheid,
die alles nieuw maakt;
maar het ontbreekt hem aan de kracht,
om het bovenaardse leven
te laten groeien en vrucht te laten dragen.

10. Aria

Jezus geeft mij geestelijke rijkdom.
Als ik zijn geest kan ontvangen,
verlang ik verder niets;
want mijn leven komt daardoor tot bloei.
Jezus maakt mij geestelijk rijk.

11. Recitatief

Wie vasthoudt aan Jezus,
zichzelf verloochent,
zich voor de liefde tot God
vol geloofsijver inspant,
zal, als het aardse is verdwenen,
zowel zichzelf als God hebben gevonden.

12. Aria

Mijn hart gelooft en heeft lief.
Want de zoete vlammen van Jezus,
waaruit ook de mijne voortkomen,
sluiten zich boven mij,
omdat hij zich voor mij opoffert.

13. Recitatief

O armoede die rijker is dan elke rijkdom!
Als uit het hart
de hele wereld wijkt
en alleen Jezus nog regeert.
Zo wordt een Christen voor God gebracht!
Geef ons de kracht, God, het niet te verspelen!

14. Koraal

Wat God doet is een weldaad,
Daarbij wil ik blijven.
Ook als ik een zware weg moet gaan
voortgedreven door nood, dood en ellende;

God zal mij
vaderlijk als hij is
in zijn armen houden;
daarom laat ik hem graag begaan.

Print

Deze werken vind je misschien ook mooi