All of Bach: een project van de Nederlandse Bachvereniging

Auf, schmetternde Töne der muntern Trompeten

BWV 207a uitgevoerd door de Nederlandse Bachvereniging onder leiding van Jos van Veldhoven
Binnenplaats Paushuize, Utrecht

"Bach kiest het grootst denkbare instrumentarium voor deze cantate."

"Een geitenvel heeft als voordeel dat het minder resonantie heeft en meer attack; je hoort meer 'vuiligheid'."

Hulde aan August

De onontbeerlijke trompetten en pauken gaf Bach in zijn muziek een belangrijke rol.

Met deze feestelijke muziek vierde Leipzig in 1735 de naamdag van Friedrich August II, keurvorst van Saksen. Zijn hof zat in Dresden, maar belangrijke feesten werden – als een soort Koningsdag – in Leipzig meegevierd met ‘extra-ordinaire’ concerten.

Het libretto van Auf, schmetternde Töne is een typisch achttiende-eeuws, en voor moderne oren enigszins geëxalteerd lofdicht op de deugden van de vorst en de daaruit volgende voorspoed van zijn onderdanen. Meteen in de eerste regel verschijnen de onontbeerlijke trompetten en de pauken, die Bach natuurlijk ook in zijn muziek een belangrijke rol gaf. August wordt hier vooral in zijn hoedanigheid van Keurvorst van Saksen geëerd – ook al komt zijn Poolse koninkrijk even langs in het laatste recitatief. De rivieren Pleisse en Elbe worden aangehaald als vertegenwoordigers van zijn rijk. Verder barst de tekst van de gebruikelijke verwijzingen naar de antieke oudheid.

Hoewel prima passend bij de tekst, was de muziek van deze cantate, met uitzondering van de recitatieven, niet nieuw. Bach schreef het grootste deel tien jaar eerder voor de inhuldiging van een universiteitsprofessor. En een deel was zelfs nog ouder, de enigszins ingevoerde luisteraar zal in het openingskoor snel het Eerste ‘Brandenburgse’ concert herkennen. De manier waarop Bach van een van zijn mooiste en beroemdste orkestwerken blijkbaar moeiteloos een volmaakte vocale compositie maakt, toont aan dat niet alleen wereldlijk/geestelijk maar ook instrumentaal/vocaal bij Bach een fictieve tegenstelling is.

Wereldlijke cantates
Eigenlijk zijn zowel de termen ‘wereldlijk’ als ‘cantates’ maar beperkt van toepassing op de wereld van Bach. Om te beginnen heeft Bach zelf het woord cantate zelden gebruikt. Die term werd pas later gangbaar, toen men van Bachs werk een groots en helder georganiseerd ‘oeuvre’ wilde maken. En dat ‘wereldlijk’ was in Bachs tijd vooral een kwestie van aanleiding en tekst, want in muzikale zin is er nauwelijks een onderscheid te maken met zijn liturgische muziek. Ook daarin kwamen pauken en trompetten voor, of kon er zomaar een deel uit een ‘Brandenburgs’ concert opduiken.

De wereldlijke cantates werden altijd gecomponeerd naar aanleiding van een belangrijke gebeurtenis. Ofwel in het leven van een notabele uit de stad, ofwel van een lid van het hof in Dresden: naamdag, verjaardag, huwelijk, inhuldiging of overlijden. Er zijn zo’n 15 wereldlijke cantates bewaard gebleven, maar we weten, onder andere door bewaard gebleven tekstboekjes, dat er meer geweest moeten zijn. Net als in zijn geestelijke cantates, gebruikte Bach ook in zijn wereldlijke cantates vaak muziek opnieuw, waarbij hij de noten van een andere tekst voorzag. Ook voorzag hij soms geestelijke cantates van een wereldlijke tekst en omgekeerd. 


BWV
207a

Titel
Auf, schmetternde Töne der muntern Trompeten

Genre
cantate

Jaartal
1735 – BWV 207 dateert al van 1726

Stad
Leipzig

Tekstdichter
onbekend, wellicht Picander

Bestemming
naamdag van Friedrich August II, Keurvorst van Saksen en koning van Polen

Eerste uitvoering
3 augustus 1735

Bijzonder
Bach gebruikte voor deze feestmuziek zijn eerder geschreven cantate Vereinigte Zwietracht der wechselnden Saiten, BWV 207

Cast & Crew

Publicatiedatum 26 april 2019
Opnamedatum 10 juni 2016
Locatie Binnenplaats Paushuize, Utrecht
Dirigent Jos van Veldhoven
Sopraan Maria Keohane
Alt Maarten Engeltjes
Tenor Thomas Hobbs
Bas Matthew Brook
RIPIËNISTEN SOPRAAN Orlanda Velez Isidro, Klaartje van Veldhoven, Marjon Strijk, Hilde van Ruymbeke
RIPIËNISTEN ALT Barnabás Hegyi, Elsbeth Gerritsen, Gemma Jansen, Marleene Goldstein
RIPIËNISTEN TENOR Ronald Threels, Kevin Skelton, Diederik Rooker, René Veen
RIPIËNISTEN BAS Donald Bentvelsen, Matthew Baker, Martijn de Graaf Bierbrauwer, Pierre-Guy Le Gall White
Viool 1 Shunske Sato, Pieter Affourtit, Annabelle Ferdinand, Hanneke Wierenga
Viool 2 Sayuri Yamagata, Anneke van Haaften, Paulien Kostense
Altviool Staas Swierstra, Deirdre Dowling
Cello Lucia Swarts, Richte van der Meer
Contrabas Robert Franenberg
Traverso Marten Root, Doretthe Janssens
Hobo Martin Stadler, Peter Frankenberg, Sarah Assmann
Fagot Benny Aghassi
Trompet Robert Vanryne, Fruzsina Hara, Mark Geelen
Pauken Peppie Wiersma
Klavecimbel Siebe Henstra
Regie Simon Aarden
Muziekregie Myrthe van Dijk
Muziekopname Frank Mathijssen, Dylan Rosenkamp
Audiomontage -en mix Myrthe van Dijk, Hans Brouwer
Camera Jochem Timmermans, Merijn Vrieling, Emiel Jansen, Chris Reichgelt, Justin Mutsaers
licht Zen Bloot
lichtassistent Dicky Bloemraad, Patrick Galvin, Sam Vis
Regieassistent Ferenc Soetman
Beeldtechniek Vincent Nugteren
Settechniek Marco Korzelius
Datahandling Jesper Blok
Projectmanager NEP Peter Ribbens
Stagiaires Tim van Dijk, Dennis den Hartog, Leon Mignon
Interview Onno van Ameijde, Marloes Biermans
Productie concert Imke Deters
productie film Jessie Verbrugh

Vocale teksten

Origineel

1. Marche


2. Chor

Auf, schmetternde Töne
der muntern Trompeten,
ihr donnernden Pauken,
erhebet den Knall!
Reizende Saiten, ergötzet das Ohr,
suchet auf Flöten
das Schönste zu finden,
erfüllet mit lieblichem Schall
unsre so süsse als grünende Linden
und unser frohes Musenchor!

3. Rezitativ (Tenor)

Die stille Pleisse spielt
mit ihren kleinen Wellen.
das grüne Ufer fühlt
itzt gleichsam neue Kräfte
und doppelt innre rege Säfte.
Es prangt mit weichem Moos und Klee;
dort blühet manche schöne Blume,
hier hebt zur Flora grossem Ruhme
sich eine Pflanze in die Höh
und will den Wachstum zeigen.
Der Pallas holder Hain
sucht sich in Schmuck und Schimmer zu erneun.
Die Castalinnen singen Lieder,
die Nymphen gehen hin und wieder
und wollen hier und dort bei unsern Linden,
und was? den angenehmen Ort
ihres schönsten Gegenstandes finden.
Denn dieser Tag bringt allen Lust;
doch in der Sachsen Brust
geht diese Lust am allerstärksten fort.

4. Arie (Tenor)

Augustus' Namenstages Schimmer
erklärt der Sachsen Angesicht.
Gott schützt die frommen Sachsen immer,
denn unsers Landesvaters Zimmer
prangt heut in neuen Glückes Strahlen,
die soll itzt unsre Ehrfurcht malen
bei dem erwünschten Namenslicht.

5. Rezitativ (Sopran, Bass)

Augustus' Wohl
ist der treuen Sachsen Wohlergehn;
Augustus' Arm beschützt
der Sachsen grüne Weiden,
die Elbe nützt
dem Kaufmann mit so vielen Freuden;
des Hofes Pracht und Flor
stellt uns Augustus' Glücke vor;
die Untertanen sehn
an jedem Ort ihr Wohlergehn;
des Mavors heller Stahl muss alle Feinde schrecken,
um uns vor allem Unglück zu bedecken.
Drum freut sich heute der Merkur
mit seinen weisen Söhnen
und findt bei diesen Freudentönen
der ersten güldnen Zeiten Spur.
Augustus mehrt das Reich.
Irenens Lorbeer wird nie bleich;
die Linden wollen schöner grünen,
um uns mit ihrem Flor bei diesem
hohen Namenstag zu dienen.

6. Arie (Sopran, Bass)

Mich kann die süsse Ruhe laben,
ich kann hier mein Vergnügen haben,
wir beide stehn hier höchst beglückt.
Denn unsre fette
Saaten lachen
und können viel Vergnügen machen,
weil sie kein Feind
und Wetter drückt.
Wo solche holde Stunden kommen,
da hat das Glücke zugenommen,
das uns der heitre Himmel schickt.

7. Ritornello


8. Rezitativ (Alt)

Augustus schützt
die frohen Felder,
Augustus liebt die grünen Wälder,
wenn sein erhabner Mut
im Jagen niemals eher ruht,
bis er ein schönes Tier gefället.
Der Landmann sieht mit Lust
auf seinem Acker schöne Garben.
Ihm ist stets wohl bewusst,
wie keiner darf in Sachsen darben,
wer sich nur in sein Glücke findt
und seine Kräfte recht ergründt.

9. Arie (Alt)

Preiset, späte Folgezeiten,
nebst dem gütigen Geschick
des Augustus grosses Glück.
Denn in des Monarchen Taten
könnt ihr Sachsens Wohl erraten;
man kann aus dem Schimmer lesen,
wer Augustus sei gewesen.

10. Rezitativ (Sopran, Alt, Tenor, Bass)

Ihr Fröhlichen, herbei!
Erblickt, ihr Sachsen und ihr grosse Staaten,
aus Augustus' holden Taten,
was Weisheit und auch Stärke sei.
Sein allzeit starker Arm stützt teils Sarmatien,
teils auch der Sachsen Wohlergehn.
Wir sehen als getreue Untertanen
durch Weisheit die vor uns erlangte Friedensfahne.
Wie sehr er uns geliebt,
wie mächtig er die Sachsen stets geschützet,
zeigt dessen Säbels Stahl, der vor uns Sachsen blitzet.
wir können unsern Landesvater
als einen Held und Siegesrater
in dem grossmächtigsten August
mit heisser Ehrfurcht itzt verehren
und unsre Wünsche mehren.
Ja, ja, ihr starken Helden, seht
der Sachsen unerschöpfte Kräfte
und ihren hohen Schutzgott
an und Sachsens Rautensäfte!
Itzt soll der Saiten Ton
die frohe Lust ausdrücken,
denn des Augustus fester Thron
muss uns allzeit beglücken.
Augustus gibt uns steten Schatten,
der aller Sachsen und Sarmaten Glück erhält,
der stete Augenmerk der Welt,
den alle Augen hatten.
O heitres, hohes Namenslicht!
O Name, der die Freude mehrt!
O allerwünschtes Angedenken,
wie stärkst du unsre Pflicht!
Ihr frohe Wünsche und ihr starke Freuden, steigt!
Die Pleisse sucht durch ihr Bezeigen
die Linden in so jungen Zweigen
der schönen Stunden Lust und Wohl zu krön'n
und zu erhöhn.

11. Chor

August lebe,
lebe, König!
O Augustus, unser Schutz,
sei der starren Feinde Trutz,

lebe lange deinem Land,
Gott schützt deinen Geist und Hand,
so muss durch Augustus' Leben
unsers Sachsens Wohl bestehn,
so darf sich kein Feind erheben
wider unser Wohlergehn.

Vertaling

1. Mars


2. Koor

Klink nu, schetterende tonen
van de montere trompetten,
donderende pauken,
verhef jullie knallende stem!
Bekoorlijke snaren, betover het oor,
probeer op de fluiten
het mooiste te vinden,
vul met uw lieflijke geluid
onze zoete en groen wordende linden
en ons vreugdevolle muzenkoor!

3. Recitatief

De stille Pleisse speelt
met haar kleine golven.
De groene oever voelt
nu langzaam nieuwe krachten ontwaken
en voelt alle levenssappen dubbel zo sterk.
De oevers sieren zacht mos en klaver;
er bloeit daar al menige mooie bloem,
hier verheft tot grote eer van Flora
zich een plant in de hoogte
en wil de groei tonen.
De mooie haag van Pallas
probeert haar weelde en schemering te vernieuwen.
De Castalinnen zingen liederen,
de nimfen gaan af en aan
en zoeken hier en daar bij onze linden,
wat zoeken zij? De aangename plaats
van hun mooiste object.
Want deze dag brengt is voor iedereen een lust;
maar de inborst van Saksen
brengt die toch wel het sterkste voort.

4. Aria

De glans van Augustus’ naamdag
straalt af op het gezicht van de Saksen.
God beschermt de vrome Saksen altijd,
want de kamer van onze landsvader
baadt nu in stralen van nieuw geluk,
net als die kamer zal nu onze eerbied
stralen in het gewenste licht van zijn naam.

5. Recitatief

Augustus’ grootste goed  
is het welzijn van de trouwe Saksen;
Augustus’ arm beschermt
de groene weiden van de Saksen,
de Elbe biedt
de koopman veel vreugde;
de pracht en praal van het hof
toont ons Augustus’ geluk;
de onderdanen zien
op iedere plek hoe goed zij het hebben;
Mavors glanzende staal jaagt alle vijanden schrik aan
en beschermt ons tegen alle ongeluk.
Daarom is Mercurius vandaag verheugd
over zijn wijze zonen
en vindt bij deze vreugdeklanken
het spoor van gouden tijden.
Augustus vergroot het rijk.
Het laurierblad van Irene verbleekt nooit;
de linden tooien zich met nog meer groen,
om ons met hun gebladerte te dienen
op deze hoge naamdag.

6. Aria

Ik laaf mij aan de zoete rust,
ik kan hier mijn genoegen vinden,
wij beiden staan hier vol van geluk.
Want ons overvloedige zaaigoed
lacht ons toe
en kan veel vreugde geven,
want geen vijand of
slecht weer onderdrukt het.
Waar dergelijke mooie tijden komen,
daar is het geluk toegenomen,
dat de heldere hemel ons stuurt.

7. Ritornello


8. Recitatief

Augustus beschermt
de vreugdevolle velden,
Augustus houdt van de groene wouden,
als zijn verheven moed
tijdens het jagen dan pas rust vindt,
als hij een schoon dier geveld heeft.
De landman ziet met vreugde
op zijn akkers de mooie schoven staan.
Hij is zich steeds goed bewust,
dat niemand in Saksen tekort mag komen,
die zich maar schikt in zijn geluk
en zijn krachten goed inschat.

9. Aria

Prijs in navolgende jaren,
naast het weldadige lot
ook Augustus’ grote geluk.
Want aan de daden van de monarch
kan Saksen welvaren worden afgelezen;
aan de glans valt te ontwaren,
wie Augustus was.

10. Recitatief

Kom naderbij iedereen die zich verheugd!
Zie, jullie Saksen en grote
staten,
hoe Augustus’ goede daden,
tonen wat wijsheid en kracht is.
Zijn altijd krachtige arm steunt deels Sarmatië,
en deels het welzijn van Saksen.
Wij zien als trouwe onderdanen
door wijsheid de voor ons veroverde vredesvlag
Hoezeer hij ons liefhad,
hoe sterk hij de Saksen altijd
steunde,
is te zien aan het staal van zijn sabel, dat voor ons Saksen glanst.
wij kunnen onze landsvader
als held en overwinnaar
nu in de grote, machtige August
vereren met grote eerbied
en onze wensen laten uitkomen.
Ja, ja, jullie sterke helden, zie
de onuitputtelijke kracht van de Saksen
en hun hoge beschermheilige
en de Saksische wijnruitsappen!
Laat nu de snaren klinken
en uitdrukking geven aan de vrolijkheid,
want de stevige troon
moet ons te allen tijde gelukkig maken.
Augustus behoedende schaduw valt steeds over ons, hij waakt over het geluk van alle Saksen en Sarmaten,
het oogmerk van de wereld,
voor alle ogen.
O, helder, verheven licht van zijn naam!
O, naam die de vreugde vergroot!
O, overal gewenste nagedachtenis,
hoe versterk je onze plicht!
Laat goede wensen en grote vreugde ontstaan!
De Pleisse toont door haar aanwezigheid
en de linden door hun jonge twijgen
dat zij de vreugde en het welzijn van de mooie uren wil bekronen
en verhogen.

11. Koor

Augustus leve,
leve de koning!
O, Augustus, onze bescherming,
die weerstand biedt aan de hardnekkige vijand,
leef lang voor uw land,
God biedt uw geest en hand bescherming,
en het leven van Augustus
brengt ons Saksen welvaart,
en dus mag zich geen vijand verheffen
tegen ons welzijn.

Print

Deze werken vind je misschien ook mooi